In memoriam

Eergisteren is mijn keel dichtgeslibd.
Er komt geen woord meer uit: de klanken
van jouw naam heb ik nooit gekend en
het beeld van jou is van voor jaren.

Toch heeft verdriet zich in mij genesteld,
mijn borstkas beklemd, mijn adem gestokt.
Ik herinner me die namiddag toen gouden zon-
licht schitterde op de kozijnen, je verwarmde

mij met je woorden, schonk me vertrouwen.
‘Het is je enorm gegund’, zei je me. Hoe graag
ik nu voor jou hetzelfde gewild had.
Maar soms blijkt wilskracht niet genoeg.

De lucht kleurt hemelsblauw vandaag,
waterkoude wind schraalt mijn wangen
terwijl ik aan je denk. Waar je nu bent
kent geen verliezers, enkel strijders.

Ik hoop dat je rust hebt gevonden.

vandaag besloot ik je te schrijven en als ik wist
hoe te beginnen dan had ik het vast gedaan
een brief met bovenin de pagina’s genummerd
geschreven in een niet meer piepklein handschrift

maar ik schrijf nauwelijks nog, ben het verleerd
(wees gerust, het geeft niet en is beter zo)
heb in plaats daarvan geleerd een vlinder te zijn
geen week rupsje meer, geen beschut cocon meer

dat veilig maar stiekem toch benauwend was
toch, ik had een gedicht voor je geschreven
als ik nog zou schrijven, maar ik dicht niet langer
sinds jij me leerde hoe waardevol open zijn is

kun je je nog herinneren hoe angstig ik was
toen je vertelde dat je me los wilde laten?
het is pas nu dat ik begin te begrijpen
dat het vrijheid was wat je me gunde

de mogelijkheid mezelf te ontplooien,
verder te groeien, te bloeien, te verkleuren
je moedigde mij aan mijn vleugels uit te slaan
keek verder dan het rupsje en geloofde

dat ik toch een vlinder was

(en die eigenlijk altijd al in mij zat)

Troostbericht

had ik de juiste woorden kunnen vinden
dan had ik je een gedicht geschreven
om het verdriet dat zich tussen je ribben
is gaan wringen zachtjes los te weken

en je te herinneren aan warmere dagen
die er nog steeds zijn en zullen komen,
ook nu zijn ogen misschien minder
stralen en zijn huid dunner en ouder lijkt

dan voorheen. een gedicht om ’s nachts
de muizenissen in je hoofd te verjagen
en overdag je hand vast te houden, om
het zeer dat zijn lichaam teistert

te verzachten. en als je denkt aan al die
keren dat hij hardliep – ook bij tegenwind
bleef hij overeind en kwam hij telkens
toch vooruit; ook jij houdt je wel staande

en had ik de juiste woorden kunnen vinden
dan had ik je een gedicht geschreven

en je zo omarmd

Ramptoerisme

die avond loeiden kermisattracties oorverdovend hard
als waarschuwingen die ik eerder steeds ontkende
je groeide bloemen in mijn longen
ze bloeiden adembenemend
verstikten mijn borstkas tot leven niet meer ging

zomers bezochten we plekken waar mensen het leven lieten
tussen verlieven en verliezen zit een minimaal verschil

dat ik beter had moeten weten maar
je was een ramp die ik niet had willen missen

de Spaanse Trappen zijn nu beschermd

1.

Was ik een boom geweest groot en sterk
met bladeren, ik had ze één voor één losgelaten
zodat de wind ze kon verwaaien
als waarschuwingen had verspreid

2.

Is moed nog moed als het voortkomt uit lafheid
ik wil geloven in vergissingen zeg ik
wanneer je rechtstreeks de zon in kijkt raak je verblind

soms ben ik bang dat ik op je lijk

3.

Was Icarus overmoedig of toch heldhaftig
dat hij naar de zon toe vloog
ruïnes brokkelen langzaam verder af door toerisme

nog nooit kwam verraad van een onbekende

4.

Achteraf gezien valt alles altijd mee
herinneringen aan jou lijken steeds mooier

(welke kleur ogen je had weet ik niet meer)

 

Drontermeer

Iemand zei: je bent nog veel te jong
om zo te kunnen schrijven. Hoe komt
een jong meisje als jij aan zo’n verhaal?
Het is nu vier zomers geleden.

Het beeld van jou begint langzaam
te vervagen. Ik herinner mij je rode sjaal,
je te donkere zonnebril, hoe je zei dat alles
te veel en te weinig voor je was. Alcohol

schijnt dodelijker te zijn voor je dan tabak.
Nog voor je weg was verloor ik je al
steeds vaker, en vaker, en vaker. Je zei:
ik probeer te vergeten. En je vergat
daarbij de toekomst en ik jouw

verleden. We verzwegen, vermeden,
hoewel we allebei voorvoelden

hoe dit eindigen zou.

mythe

we verhieven onszelf tot goden
en ik vreesde scenario’s
hoe hard je vallen zou

ze behuizen niet langer mijn nachten
toch: ik weet dat ze schuilen
in mijn vingertoppen, de straat waar je woonde
heb ik nooit meer gefietst

maar nu verblindt de lucht hemelsblauw
verlicht mijn hoofd verwarmt mijn hart
en ik herinner mij wie je eerst was

het is al bijna vier jaar geleden
de foto’s verkleurd herinneringen vervaagd
maar ze zijn er nog. ze zijn er nog.

ik bekijk ze voel ze mis hoe we waren
Rome bestaat uit ruïnes en trekt duizenden
ik denk: ik ben niet de enige die ruïnes aanbid

en pas bij thuiskomst die magie weer mist

als je magneten omdraait stoten ze elkaar af

vanaf het begin droomden wij ons bestaan
stegen boven onszelf uit als Icarus

onbezonnen vond ik een thuis in jouw woorden
en jij een zielsverwant in de mijne – als magnetisme

trokken we samen vlogen we samen
hemelshoog. zo hoog

dat we enkel nog vallen konden. we smolten
niet we stolden. het bloed in mijn aderen en

de grenzen tussen jou en mij
niet vloeibaar meer

 

we sturen elkaar emails waarin we schrijven dat we
niet bevriend zijn

en definiëren steeds weer opnieuw wat we dan wel zijn.

er is een afstand tussen ons gegroeid
groter dan de leugens waar we in geloofden.

het behang hier laat los en alles wat we erachter hebben
geplakt druipt langzaam naar beneden

tot een hoopje niets.

je zegt dat het wel meevalt:

dat je water niet vastpakken kan wil niet zeggen
dat dat aan het water ligt.

erkenning en ontkenning lijken ook wel op elkaar, denk ik.

ik zag je laatst geschreven email en besloot
niet te reageren:

ontkennen is ook een soort erkennen.

als het noodweer losbarst

en de dijken breken, weet dan
dat het er al tijden aan te komen zat en
je het stiekem wel wist maar niet wilde

weten. vertel het mij maar niet, zei je dan,
of spreek het in ieder geval niet hardop uit

als ik dat wel deed keek je de andere kant op

alsof ik de macht had alles te verwoesten
en de schuld dat het jou dan pijn zou doen

maar lief,

we kunnen de gaten in de dijken verzwijgen maar
als het noodweer losbarst en de dijken breken

herinner dan dat ik je al gewaarschuwd had

(nog voor het begon)